Auteur: Arjan Segers. Geplaatst: 29 november 2007


Van Neck bereikt Bantam tijdens ‘Tweede Schipvaart’

26 november 1598 bereikt Jacob Cornelis van Neck met zijn 8 schepen Bantam. Het is de tweede Nederlandse expeditie naar Oost-Indië die bekend staat onder de naam “tweede schipvaart”. Deze tweede reis naar Indië is een vervolg op de reis van Cornelis de Houtman van enkele jaren eerder. Hoewel deze eerste reis weinig financieel gewin opleverde bewees het wel dat het voor de Nederlanders mogelijk was om Oost-Indië te bereiken.

Jacob Cornelis van Neck vertrekt met zijn vloot op 1 mei 1598 uit Nederland. Met 8 schepen te weten de ‘Mauritius’, de ‘Hollandia’, de ‘Friesland’, de ‘Overijssel’, de ‘Amsterdam’, de ‘Utrecht’, de ‘Zeelandia’ en de ‘Gelderland’. Deze vloot uitgerust door één van de voorlopers van de VOC de Oude Compagnie uit Amsterdam  bezat een totaal laadvermogen van meer dan 2500 ton. Na een voorspoedige reis van bijna 6 maanden bereikt de vloot Bantam op het Indonesische eiland Java. Met 4 schepen bleef Van Neck hier achter om handel te drijven met de lokale bevolking. De rest van de vloot splitste hier op om de Indonesische archipel verder te ontdekken. Wijbrand van Warwijck voer met de twee schepen ‘Amsterdam’ en ‘Utrecht’ verder naar Celebes, Ambon en Ternate. Jacob van Heemskerck voer met twee andere schepen (De ‘Zeelandia’ en de ‘Gelderland’) door naar Banda.

Handel op de Oost

Voordat de Nederlanders in het gebied kwamen waren het vooral de Portugezen die hier handel dreven. Het doel van de Nederland met deze expeditie was dan ook om het Portugese monopoly in Europa op de invoer van peper en andere specerijen te breken. De Portugezen hadden de lokale bevolking in deze gebieden gewaarschuwd voor de Nederlanders met de beschuldiging dat Nederland geen natie was maar een bende zeerovers. De Eerste Schipvaart onder leiding van Cornelis Houtman had deze beschuldiging ook waar gemaakt door diverse malen met veel geweld op te treden in de plaatsen waar zij kwamen en zo ook in Bantam. Van Neck stond dus voor de moeilijke taak om opnieuw het vertrouwen te winnen van de lokale bevolking om zo handel te kunnen drijven. Hij slaagt hier zeer goed in en in januari van het volgende jaar vangt hij met 4 rijk beladen schepen de terugtocht aan. 6 maanden later op 19 juli van het jaar 1599 komt hij weer aan op de rede van Texel.  Een jaar later arriveren ook de andere vier schepen onder leiding van Van Warwijck en Van Heemskerck rijk beladen terug in Nederland. Met winsten van 3 keer de inleg was ook voor de investeerders deze onderneming zeer lucratief gebleken en smaakte dit naar meer.

Het bleek dus dat het mogelijk was om buiten de Portugezen om peper en specerijen in Europa te importeren. De vraag naar deze producten in Europa groeide hard en dus was het nodig om het aanbod te vergroten. Diverse Nederlandse compagnieën storten zich in dit gat in de markt. Het was niet toevallig dat juist Nederland zich in deze tijd in deze handel mengde. Was voorheen Antwerpen een belangrijke stad geweest in het Europese handelsverkeer, na de verovering van deze stad door de Spanjaarden in 1585 sluiten de Nederlanders de toegang tot deze stad via de Schelde af. De rijke Antwerpse handelaren die de bui al zien hangen verlaten de stad en trekken naar Amsterdam, dat door zijn tolerante houding tegenover vreemdelingen een prettige stad was om zich te vestigen. Direct na het succes van de ‘Tweede Schipvaart’ ontstonden diverse gelegenheidcompagnieën. Deze compagnieën bestonden uit verschillende investeerders die samen een expeditie op touw zetten. Er werd geld ingelegd waarvan schepen gehuurd of gekocht werden, bemanningen werden geworven, ruilgoederen en alles wat maar meer nodig voor de expeditie gekocht. Als deze vloten dan weer terugkwamen met hun handel werd alles weer verkocht zowel de handel als de schepen, de bemanning werd uitbetaald en dan maakten men de balans op en werden de opbrengsten verdeeld onder de investeerders. Hierna begon men weer een nieuwe gelegenheidscompagnie, en begon alles weer opnieuw. Deze compagnieën ontstonden in verschillende steden van Nederland zoals in Amsterdam, Rotterdam, Veere en Middelburg.
Het succes van deze compagnieën had echter ook een keerzijde. Door zware concurrentie tussen de Zeeuwse en Amsterdamse compagnieën trokken zij niet gezamenlijk op tegen Portugal maar versplinterden hun eigen operaties. Portugal profiteerde hiervan doordat het voor de Nederlanders nu niet mogelijk was om vaste voet aan wal te krijgen in Oost-Indië. De Portugezen hadden dat wel op diverse plaatsen en konden zo veel krachtiger optreden. Daarnaast drukten de concurrentie de verkoop prijzen van de producten waardoor de kostbare expedities moeizamer gefinancierd konden worden.

Oprichting van de VOC

Landadvocaat Johan van Oldenbarneveld zag het gevaar van deze manier van werken in en heeft de diverse reders overreed om gezamenlijk op te trekken. Dit resulteerde op 20 maart 1602 in de oprichting van de Verenigde Oostindische Compagnie kortweg ook vaak de VOC genoemd. Deze compagnie verkreeg in Nederland het alleenrecht (octrooi) op de handel met Oost-Indië. Deze VOC was verdeeld in verscheidene kamers te weten de kamers van Amsterdam, Zeeland, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen. Deze kamers leverden de bewindhebbers voor de Heren XVII (De Heren Zeventien) die het hoofdbestuur van de VOC vormden. Van dit hoofdbestuur kwamen 8 leden uit Amsterdam en de overige kamers leverden de andere 8 bestuursleden. Het 17e lid rouleerde tussen de verschillende kamers maar mocht niet uit Amsterdam komen. OP deze manier werd er voorkomen dat Amsterdam de meerderheid in deze raad zou hebben.
Een groot verschil tussen deze VOC en de voorafgaande compagnieën was dat de schepen die terugkwamen niet verkocht werden waarna de balans werd opgemaakt maar de schepen bleven eigendom van de compagnie. De kamers rusten nog wel hun eigen schepen uit maar de schulden die daarvoor gemaakt moesten worden kwamen op naam van de compagnie. Om de expedities te financieren gaf de compagnie op haar beurt  aandelen uit waarop aandeelhouders dividend (een percentage van de winst) ontvingen. Hiermee werd de VOC het eerste Naamloze Vennootschap ter wereld. Met de aandelenuitgifte in 1602 werd 6,4 miljoen gulden opgehaald.
Een tweede bijzonderheid was dat de VOC (dus een commerciële instelling) de soevereine rechten kreeg in de overzeese gebieden. De VOC leverde de bewindhebbers en de legers om de overzeese gebieden te besturen en uit te breiden.

Bijna 2 eeuwen heeft de VOC zo kunnen bestaan. In deze tijd heeft de VOC 4721 schepen met aan boord 937.000 Europeanen uitgerust voor de handel met Azië. Aan het einde van de 18e eeuw ging de compagnie echter failliet. De grootste oorzaken hiervoor waren de toenemende concurrentie, niet alleen met ander landen maar ook met de eigen bemanningen die allemaal hun eigen handeltje dreven aan boord. Een andere oorzaak was de 4e oorlog met Engeland van 1780 tot en met 1784 waardoor vrijwel de hele Nederlandse handel stil kwam te liggen. Ten tijde van de Bataafse republiek (1795 - 1806) waren de schulden van de compagnie wel heel erg opgelopen en werd het bedrijf genationaliseerd waarna de overzeese gebieden onder Nederlands bestuur kwamen.

Printbare versie>>

 

Ga hier naar het archief van eerdere artikelen > >

 

van Neck op de rede van Bantam

Van Neck verschijnt op de rede van Bantam

Thuiskomst van Neck

Thuiskomst van Van Neck op de rede van Texel in 1599.

VOC obligatie

Obligatie van de VOC

de Heren XVII

Vergadering van de Heren XVII