Auteur: I. van Meer geplaatst: 1 juli 2008
Herinneringen aan de watersnoodramp (1953)
Iedereen heeft op de lagere school wel het verhaal gehoord over de watersnoodramp van 1953. In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 overstroomden grote delen van Zeeland, West Brabant en Zuid-Holland. Oorzaak was de combinatie van een zware noordwesterstorm en springvloed. Tegen de hoge vloedgolven die hier het gevolg van waren, waren de kwetsbare Nederlandse dijken niet bestand. Op verschillende plaatsen braken de dijken door en werden de mensen verrast door het wassende water. Sommige mensen werden te laat gewaarschuwd en werden gelijk meegesleurd door het water. Velen probeerden zichzelf en hun familie in veiligheid te brengen door veiligheid te zoeken op de zolder en op daken van huizen. Anderen konden zich ternauwernood vastgrijpen aan bomen of drijvend voorwerpen. Er zijn verhalen bekend van mensen die urenlang in bomen hebben gehangen, zonder eten of drinken, vechtend tegen uitputting, kou en het verwoestende water. Anderen werden bedolven door hun instortende huizen. Veel mensen verdronken. In totaal vonden 1835 mensen de dood.
Herinneringen aan deze ramp zijn er in overvloed. Zowel redders als slachtoffers hebben hun eigen verhalen. Het is echter zo dat veel van deze herinneringen al snel werden ingepast in een collectief, nationaal kader. De watersnoodramp werd volgens dit kader beschouwd als een nationale ramp die het hele Nederlandse volk raakte. In dag- en weekbladen werd de ramp gelijkgesteld aan andere rampen voor het Nederlandse volk, zoals de Tweede Wereldoorlog en het verlies van Nederlands-Indië. Er werd opgeroepen tot massale steun aan de slachtoffers. Het hele volk moest de handen ineen slaan om deze ramp het hoofd te bieden. In een polygoonjournaal werd dit als volgt verwoord: ‘Het Nederlandse volk waarvan deze mensen deel uitmaken, wij moeten hen allen helpen, geen offer mag te groot zijn.’ De koningin sprak daarnaast in een toespraak over ‘een springvloed van saamhorigheid.’ Voor kritiek was in deze visie nauwelijks plaats. Er werd niet gezocht naar schuldigen voor de ramp of kritiek geuit op het falen van de overheid. Ook werd er geen commentaar gegeven op de moeizame hulpverlening. Het Nederlandse volk zou gezamenlijk en eensgezind de ramp hebben aangepakt.
Natuurlijk was er binnen de politiek wel kritiek op het beleid. Zo werd de regering er onder anderen door het CPN van beschuldigd te weinig geld te hebben gestoken in het onderhoud van de dijken. Ook vanuit andere richtingen was er kritiek te horen. Zo vroeg Welter van de KVP zich af of de regering zich niet te veel richtte op ‘die potentiële aanvaller uit het Oosten’ en te weinig op die in het Westen, de zee. De minister verdedigde zich echter door te verklaren dat de regering wel degelijk plannen had gehad om de dijken te verbeteren, maar dat de uitvoering van deze plannen was ingehaald door de zee. Daarnaast was er natuurlijk altijd sprake van een aanvaardbaar risico, hoewel directeur-generaal van Rijkswaterstaat Maris op een persconferentie toegaf dat de norm van het aanvaardbaar risico misschien ‘bediscussieerbaar’ was.
Hoe het ook zij, de kritiek verstomde algauw door de oproep tot gezamenlijke hulp. De wederopbouw van het overstroomde gebied werd belangrijker geacht dan het opheffen van de beschuldigende vinger. De nationale herinneringen aan de ramp beperken zich dan ook tot een gevoel van saamhorigheid en eensgezindheid, waarbij de hulp van buitenaf werd geprezen. De deltawerken die na de ramp werden gebouwd staan in deze visie symbool voor de nationale trots en de herwonnen veiligheid. Het denken over die deltawerken valt in de reeks: Nederlandse identiteit, wederopbouw, beheersbaarheid van de natuur en technologische vernieuwing.
Opvallend is dat in deze nationale herinnering vooral een plaats wordt gegeven aan de gevoelens van redders en buitenstaanders. De herinneringen van de slachtoffers zelf vinden er nauwelijks een plaats in. Selma Leydesdorff heeft in haar boek ‘Het water en de herinnering’ met succes geprobeerd dit hiaat op te vullen. In haar boek wordt een stem gegeven aan de slachtoffers van de ramp zelf. Uit dit boek komt heel duidelijk naar voren dat de herinneringen van de slachtoffers vaak niet overeenkomen met de nationale herinneringen aan de ramp. Uit de verhalen van slachtoffers komt een beeld naar voren van chaos, verwarring en bovenal angst. Een groot deel van de leiding was weggevallen en op sommige plaatsen rezen nieuwe, tijdelijke leiders op die het heft in handen namen. Dit gebeurde vooral op plaatsen waar het formele gezag faalde. De hulp bleek lang niet zo goed geregeld als het nationale beeld doet voorkomen. De overheid wist niet goed hoe een ramp van deze omvang aan te pakken. Veel hulp bleef steken aan de randen van het rampgebied. De evacuatie van de getroffenen naar de Randstad en Noord-Brabant kwam maar langzaam op gang. Veelal wilden de getroffenen ook niet weg, wat bijvoorbeeld in Zierikzee leidde tot een conflict met het lokale bestuur. Dit is dus een heel ander beeld dan het nationale beeld van saamhorigheid en eensgezindheid.
Het denken van de slachtoffers valt in de reeks: water, verdriet, bijna verdrinken, redding en veiligheid. Angst is de gemene deler van de herinneringen. Deze angst komt in alle verhalen van slachtoffers naar voren, zoals in het verhaal van de volgende mevrouw: ‘Tot dan toe hadden we echt angstige ogenblikken gehad, want toen dachten we: Goh, ze weten glad niet dat het hier zo erg is, dat er hier zoveel water staat. En je dacht toch ieder moment dat je moest verdrinken. Dat zat er wel in, omdat je een ander zag verdrinken, en dan dacht je: Ieder moment kunnen wij gaan. En dan in dat koude water.’
Angst wordt in alle verhalen van de slachtoffers verwoord. Hierbij houdt het collectieve van de herinneringen van de slachtoffers echter op. De herinneringen verschillen van elkaar al naargelang de levensfase waarin de mensen zaten, de manier waarop ze getroffen werden, de mate waarin ze zich slachtoffer voelden etc. De herinneringen zijn bij ieder individu weer anders, net zoals de verklaringen die aan de ramp worden gegeven van elkaar verschillen. Sommige mensen zagen in de ramp een straf van God, anderen voelden het als een beproeving of voelden zich op de een of andere manier uitverkoren. In veel interviews was de schuldige uiteindelijk de natuur. Zoals een geïnterviewde het uitdrukte: ‘Het was een stormvloed en het was hoog water. Springvloed en hoog water was het. En die storm stond precies zo, dat ie dus op de dijken terugviel. Het was echt niet te verhinderen geweest. Echt niet. Want het gebeurt maar eens in de zoveel eeuwen, het is gewoon een samenloop van omstandigheden geweest. Je kon er niets tegen doen, je was machteloos.’
Het prijzenswaardige van het boek van Leydesdorff is dat het een plaats geeft aan de veelheid van herinneringen aan de ramp. Op deze manier krijgen we ook een coherenter beeld van de ramp. Wat ik in dit artikel vooral wil benadrukken is dat de collectieve herinneringen van de ene groep, niet in alle gevallen hoeven te stroken met collectieve herinneringen van de andere groep. Ook is er vaak sprake van een spanning tussen collectieve en individuele herinneringen. Individuele herinneringen worden beïnvloed door het collectieve beeld, dat op zijn plaats weer wordt bepaald door de media en de politiek. Het collectieve beeld van het verleden is vaak het beeld dat als politiek en sociaal aanvaardbaar wordt beschouwd in een bepaald land. Individuele herinneringen kunnen echter conflicteren met het collectieve beeld. Het is dan aan het individu de taak om te proberen een weg te vinden in deze conflictueuze beelden. Soms gebeurt dit door de individuele herinneringen ondergeschikt te maken aan de collectieve herinneringen. Mensen ondersteunen dan het collectieve beeld, hoewel ze zich de gebeurtenis zelf anders herinneren. Andere mensen blijven vasthouden aan hun individuele herinneringen. Dit kan echter voor problemen zorgen in samenlevingen waar geen ruimte is voor individuele ervaringen en waar deze herinneringen dan ook niet geaccepteerd worden. Gelukkig is er in Nederland wel ruimte voor individuele herinneringen, wat het boek van Leydesdorff bewijst. Met dank aan deze herinneringen hebben we een duidelijker en veelzijdiger beeld kunnen krijgen van wat zich heeft afgespeeld ten tijde van de watersnoodramp.
Literatuur
Leydesdorff, S., Het water en de herinnering. De Zeeuwse watersnoodramp 1953-1993 (Amsterdam 1993).
Thomson, A., ‘The Anzac legend. Exploring national myth and memory in Australia’ in R. Samuel en P. Thompson ed., The myths we live by (Londen en New York 1990) 73-82.