Auteur: Arjan Segers. Geplaatst: 19 december 2007
19 december 1642, Abel Tasman ontmoet als eerste Europeaan de bevolking van Nieuw Zeeland.
Op zijn eerste ontdekkingsreis voer Abel Tasman van Batavia (het huidige Jakarta) met twee kleine schepen, de Heemskerck en de Zeehaen, eerst naar Mauritius, om van de gunstige wind te kunnen profiteren en van daaruit oostwaarts op een diepere zuidelijke breedte dan tot dan toe gedaan was. Hij miste op deze wijze Australië, maar ontdekte wel na zo'n 9.000 km zeilen vanaf Mauritius het eiland Tasmanië. Hij doopte het Van Diemensland, maar de Engelsen hernoemden het later naar zijn ontdekker. Na een kort onderzoek van het eiland voer hij verder naar het oosten, en ontdekte Nieuw-Zeeland, dat hij Statenland noemde, denkende dat het verbonden was met een stuk land zuidelijk van Zuid-Amerika. Hij voer noordwaarts langs de westkust. Nabij de noordpunt van het Zuidereiland sloeg hij het anker uit in een baai, waar tijdens de enige ontmoeting die hij met Maori’s gehad heeft vier van zijn mannen gedood werden. Hieronder volgt het dagboekgedeelte van Abel tasman van die bewuste dag de 19e december 1642. De tekst is overgezet in hedendaags Nederlands.
19 december 1642
’s Morgens naderde een boot met 13 van deze mensen ons schip tot op ongeveer een steenworpafstand. Ze riepen verscheidene malen naar ons maar we konden ze niet verstaan. Hun spraak leek niet op de woordenschat van de Hon, waarvan de gouverneur en raadsheren ons woordenboeken hebben meegegeven. Maar dat is niet verbazingwekkend daar die de taal van de Salomons eilanden bevatten.
Deze mensen (voor zover wij zien konden) waren van normaal postuur, hebben een luide stem, hun huidskleur is tussen bruin en geel in, ze hebben zwart haar dat samengebonden is op hun hoofd op dezelfde manier als de Japanners dat doen achter op hun hoofd, alleen dan wat langer en dikker waarop een grote witte veer staat.
Hun boten waren twee smalle kano’s naast elkaar waarover planken of zittingen waren gelegd, hierdoor is het mogelijk om boven het wateroppervlak onder die boot door te kijken. Hun paddels zijn ongeveer een grote vadem lang en smal en puntig. Zij manoeuvreren zeer vaardig met deze schepen. Hen kleding was (naar het leek) een soort van matten, anders dan katoen. Sommigen of bijna allen hadden een ontbloot bovenlijf. We nodigden hen diverse malen aan boord en toonden hen wit linnen en wat messen die deel uit maakten van onze lading, zij kwamen echter niet dichterbij maar peddelden terug.
Intussen verschenen enkele officieren van de Zeehaen aan boord en hielden we scheepsraad. Waarbij wij besloten om zo dicht naar de kust te varen als we konden waar we goede ankergrond verwachten omdat deze mensen (naar het scheen) vriendschap zochten. Kort na dit besluit zagen we 7 andere boten uit de richting van het land komen. Één boot hoger en scherp gevormd voorop met aan boord 17 inboorlingen roeide om de Zeehaen heen, een tweede met aan boord 13 stevige mannen kwam binnen een halve steenworp van ons voorschip. Ze riepen naar elkaar en wij wuifden naar hen en lieten opnieuw het witte linnen zien, maar ze bleven waar ze waren.
De schipper van de Zeehaen zond zijn kwartiermeester met een sloep en 6 roeiers naar hun toe. Hij gaf ook orders aan de tweede stuurman dat als deze mensen aan boord zouden komen ze niet teveel tegelijk aan boord mochten laten en voorzichtigheid zouden betrachten deze mensen goed te bewaken. Zo gauw de sloep van de Zeehaen weg roeit roepen degene in de praai het dichtst bij ons het uit en zwaaien met hun peddels naar degenen die achter de Zeehaen liggen, wij konden niet begrijpen wat ze bedoelden. De sloep van de Zeehaen was nauwelijks op weg of degene die voor ons lagen tussen onze schepen in begonnen plotseling zo furieus naar hen toe te peddelen dat halverwege de afstand tussen onze schepen de praai de sloep met de boeg in de zij ramde zodat deze hevig slingerde. Waarna de voorste in deze praai met schurken met een lange stompe piek de kwartiermeester Cornelis van Joppen verschillende malen zo hevig in de nek steekt dat deze overboord viel. Waarna de anderen met korte dikke knuppels (waarvan we eerst dachten dat het zware stompe parrangs waren) en met hun peddels de sloep aanvielen en overmeesterden waarbij drie man van de Zeehaen werden gedood en een vierde door de woeste slagen dodelijk gewond raakte. De kwartiermeester en 2 matrozen waren in staat naar ons schip te zwemmen en wij waren in staat ze te redden met onze kleine sloep.
Na deze grote gebeurtenis en lage zaak lieten de moordenaars de sloep drijven na één van de doden in hun praai meegenomen te hebben en een anderen verdronken te hebben. Wij en die van de Zeehaen dit ziende hebben vol overgave onze musketten en grote kannonen afgeschoten maar omdat we hen niet raakten trokken ze zich terug en peddelden naar de kust buiten het bereik van onze kanonnen. We vuurden nog verschillende schoten af met onze kanonnen aan dek en op de boeg maar raakten niemand. Schipper Ide Tiercxs is in onze kleine goed bemande en bewapende sloep naar de sloep van de Zeehaen geroeid, welke deze verschrikkelijke inboorlingen gelukkig hadden laten drijven en heeft deze teruggebracht naar ons schip. In deze sloep vonden we één dode en de gewonde.
We hebben het anker opgehaald en zijn weggezeild omdat we niet verwachten nog vriendschappelijk onthaald te worden door deze mensen en ook niet dat we nog water of andere verversingen zouden kunnen innemen. Nadat we het anker gelicht en onder zeil gegaan waren zagen we 22 praaien nabij de kust waarvan er elf afgeladen met mensen op ons afkwamen. We hielden ons stil tot de voorste binnen het bereik van onze kanonnen kwamen en vuurden toen met onze stukken van het kanonnendek maar het was tevergeefs. Van de Zeehaen vuurden ze ook en zij raakten één man in de voorste praai (die daar stond met een kleine witte vlag in zijn handen) zodat hij neerviel. We hoorden ook de kogels in de praai inslaan van binnen en van buiten maar wat voor effect dat had is onbekend. Op het moment dat zij beschoten werden keerden zij met grote snelheid om naar de kust. Twee hezen een soort klein zeil en zij bleven verder buiten ons bereik onder de kust liggen zonder ons nog te bezoeken. ’s Middags kwamen de schipper Gerrit Jans en de mijnheer Gissemans opnieuw aan boord en zij hadden de eerste stuurman meegenomen, waarna we raad hielden en het volgende besloten: Na de verachtelijke behandeling van deze inboorlingen tegen 4 mannen van de Zeehaen deze morgen begaan, heeft ons geleerd dat de inwoners van dit land gezien moeten worden als vijanden. Daarom zullen we verder oostwaarts zeilen langs de kust om te zien of we nog ergens een plaats kunnen vinden waar we water en vers voedsel kunnen innemen. Op deze moordenaarsplek (wij hebben het moordenaarsbaai genoemd) hebben we voor anker gelegen in positie 40 graden en 50 minuten zuidelijke breedte en lengtegraad 191, 30 minuten. Van hier hebben we onze koers oostnoordoost uitgezet. Bij noen geschatte positie was breedtegraad 40 graden 57 minuten en lengtegraad 191 graden en 41 minuten. Koers zuidelijk voor 2 mijlen. In de middag hadden we wind van westnoordwest en zijn we gedraaid naar noordoost bij noord. Op advies van de stuurlui en met eigen goedkeuring hebben we zo doorgevaren zolang het weer helder was. Één uur na middernacht peilden we 25 of 26 vadem harde zanderige grond. Kort daarna werd de wind noordnoordwest. We peilden 15 vadems en zijn onmiddellijk gedraaid op een tegenovergestelde westelijke koers om de dag af te wachten. Variatie 9 graden en 30 minuten noordelijk.
Bronnen:
Journaal Abel Tasman, Nationaal Archief