Romeinse thermen in Nederland
Printversie / pdf
Ik moet gaan om een bad te nemen. Ja, het is tijd. Ik vertrek; ik regel wat handdoeken en volg mijn slaaf. Ik ren en haal de anderen in die naar de baden gaan en ik zeg tegen ze: ‘Hoe gaat het? Geniet van je bad! Geniet van je diner!’
Zomaar wat woorden uit een oefenboek van een Romeinse schooljongen, dat zo’n 1800 jaar geleden gebruikt werd. Deze zinnen drukken levendig het belang uit dat gehecht werd aan het baden in de Romeinse beschaving. Dit baden maakte deel uit van het dagelijks leven van vele Romeinen. Het werd beschouwd als een probaat middel om het lichaam gezond te houden. De Romeinen hadden dan ook de beschikking over een ontelbaar aantal badhuizen, variërend van grote, luxueuze thermen tot kleine simpele, baden, waar ze met genoegen gebruik van maakten.
De bouw en het gebruik van de badhuizen beperkte zich niet tot Rome en de rest van Italië. Over het hele rijk werd de praktijk van het baden in badhuizen verspreid. Zo ook in ons eigen land, in het gebied ten zuiden van de Rijn, waar de Romeinen tussen 12 v. Chr. en 406 na Chr. de scepter zwaaiden. In verschillende plaatsen in Nederland zijn Romeinse thermen gebouwd, waaronder in Nijmegen en in Heerlen. Van de thermen in Heerlen zijn nog duidelijke restanten overgebleven, die heden ten dagen bezichtigd kunnen worden door het publiek. Over deze thermen en over het Romeinse gebruik van baden en badhuizen wil ik in dit artikel wat meer vertellen. Op deze manier wil ik een voorbeeld geven van de culturele invloed die de Romeinen op onze contreien hebben uitgeoefend.
Geschiedenis van de Romeinen in Nederland
Om het bestaan van de Romeinse thermen in Nederland in het juiste perspectief te plaatsen , zal ik allereerst in grote lijnen de geschiedenis schetsen van de Romeinse overheersing van een groot deel van Nederland. Deze geschiedenis van de Romeinen in Nederland begint met de verovering van Gallia (het westelijke gebied van Europa, dat overeenkomt met het moderne Frankrijk, België, het westen van Zwitserland, en delen van Nederland en Duitsland ten westen van de Rijn) door de Romeinse generaal Julius Caesar. In 51 v. Chr. kwamen zijn campagnes ten einde en werd de Rijn officieel de noordgrens van het Romeinse Rijk. Deze grens bestond echter slechts in theorie, aangezien de Romeinen nog geen kans hadden gezien om hun macht in deze gebieden te consolideren.
Nederland werd op dit moment bewoond door verschillende stammen, zoals de Eburones en de Menapii. Ook trokken tussen 50 en 12 v. Chr. de Bataven ons land binnen. Zij vormden een groep die zich van de stam der Chatti in het tegenwoordige Hessen (Duitsland) had afgesplitst. Hun komst maakte hoogstwaarschijnlijk deel uit van een Romeinse manoeuvre, om bevriende stammen zich te laten vestigen in gebieden waarop zij hun greep wilden versterken. De Bataven werden in die tijd als de vrienden en bondgenoten van het Romeinse volk beschouwd.
De officiële Romeinse tijd begint in Nederland pas in 12 voor Christus. Op dit moment trekt het Romeinse leger Nederland binnen. Dit gebeurde in het kader van het plan van keizer Augustus om heel Germania te veroveren. De opmars stokte echter bij de Rijngrens. In 9 na Christus leidde het Romeinse leger onder leiding van Varus een grote nederlaag in het Teutoburgerwoud. Hierna is nog enkele malen door de Romeinen geprobeerd om het deel aan de overzijde van de Rijn te veroveren. Veel succes hadden deze pogingen echter niet. In 47 na Chr. werd door keizer Claudius besloten alle verdere pogingen om de rest van Germania in te nemen te staken. De Romeinen trokken zich definitief terug achter de Rijn. Het gevolg hiervan was dat een zwaar versterkte grenslinie dwars door Nederland kwam te lopen.
De periode tussen 12 v. Chr. en 47 na Chr. wordt de vroeg-Romeinse tijd genoemd. In deze tijd werden de vroegste Romeinse legerplaatsen in ons land gesticht in de omgeving van Nijmegen, bij Vechten en Velsen en in Valkenburg, Zuid Holland. Deze legerplaatsen dienden als militaire knooppunten en als basissen om het omringende gebied te beheersen. Dankzij deze legerplaatsen kwamen voorzichtige contacten tussen de Romeinen en de inheemse bevolking tot stand. Het leger had namelijk behoefte aan producten en mankracht, die door de inheemse bevolking geleverd konden worden.
Vanaf het midden van de eerste eeuw tot in de tweede helft van de derde eeuw ontstond een periode van rust in het Romeinse rijk, die bekend staat als de Pax Romana. Het Romeinse rijk maakte in deze tijd een bloeiperiode door, waarvan ook Nederland kon meeprofiteren. Deze periode geldt in Nederland als de midden-Romeinse tijd. Als grensverdediging werd een lange rij forten langs de Rijn gebouwd. De meeste van deze forten waren de zogenoemde castella, waar de auxilia, de hulptroepen van het Romeinse leger gelegerd waren. Deze hulptroepen waren gerekruteerd uit de verschillende volkeren van het rijk en soms zelfs uit buitenlandse stammen. De enige grote legerplaats van ons land, waar de echt Romeinse legioenen gelegerd waren, de zogenaamde castra, was gelegen in het achterland van Nijmegen.
De Romeinen voerden een bestuurlijke vernieuwing door. Omstreeks 90 na Chr. werd door keizer Domitianus de provincie Germania Inferior, dat wil zeggen Neder-Germanië ingesteld. Deze provincie omvatte een breed gebied links van de Rijn, vanaf de Vinxtbach tot Katwijk aan Zee en bevatte een groot deel van het zuiden van ons land. Het bestuurlijke centrum van de provincie was gevestigd in Keulen. De provincie zelf was weer onderverdeeld in civitates, districten of departementen met een zekere mate van zelfbestuur. In Nederland waren dat de civitas Cananefatium en de civitas Batavorum. Het bestuur van deze civitates werd meestal overgelaten aan de Bataafse elite.
Aan het hoofd van de civitas stond de departementshoofdstad. Voor het Bataafse departement was dat Oppidum Batavorum ofwel Batavodurum, dat door keizer Trajanus werd omgedoopt tot Ulpia Noviomagus, het huidige Nijmegen. Deze stad was door de Romeinen zelf in het eerste kwart van de eerste eeuw na Chr. gesticht. Qua inwonersaantal (niet meer dan een paar duizend) was Noviomagus in feite een groot dorp.
De grensforten (de castella) vormden ook nederzettingen. Zo kon het castellum Traiectum , onder het Domplein in Utrecht in de derde eeuw een afdeling soldaten van ongeveer 500 man herbergen. Bij een castellum hoorde een vicus, een ‘kampdorp’, dat bewoond werd door burgers die met de soldaten een economische of andere relatie hadden. In deze vici was de Romeinse cultuur in overvloed aanwezig. Hier vinden we dan ook de badhuizen , de thermen, waar we het later nog uitgebreid over zullen hebben. Naast deze militaire vici waren er ook zuiver civiele vici. Deze dorpen vormden in bepaalde opzichten het centrum van een deel van het civitasgebied, een pagus. In deze dorpen kon men soms ook een Romeinse badhuis vinden. De kleinste nederzettingen in de midden-Romeinse tijd bestonden uit villa, oftewel landbouw- of veeteeltbedrijven die zich toelegden op het produceren van producten voor de markt, of nog kleiner, eenvoudige boerennederzettingen, die hoogstens enkele bedrijven bevatten.
Vanaf het midden van de derde eeuw begint het Romeinse rijk scheurtjes te vertonen. Verzwakking van het centrale gezag en een economische malaise zorgden voor een verzwakking van de positie van het rijk. Tussen 240 en 270 vielen de Germanen van over de Rijn het Romeinse rijk binnen. Uiteindelijk werden de grootste aanvallen afgeslagen, maar toch zouden de Romeinen hun kracht van weleer niet meer hervinden. De Germanen bleven het grensgebied teisteren met plundertochten. De laat-Romeinse tijd (275-406) kenmerkt zich dan ook door een tendens van regionalisatie en bevolkingsafname. Een deel van de nederzettingen werd verlaten door de bewoners. Ook de Romeinse legerkampen stroomden uiteindelijk leeg, omdat de troepen elders in het rijk nodig waren. Na 406 of enkele jaren later waren er geen geregelde Romeinse troepen meer langs de Rijngrens gelegerd. Een proces van deromanisatie begon, dat zich in de vijfde eeuw definitief doorzette in het Romeinse deel ons land. Uiteindelijk stortte het West-Romeinse rijk in 476 in.
Thermen in Nederland
Voor ons onderwerp gaan we echter weer terug naar de midden-Romeinse tijd, wanneer het rijk zijn bloeiperiode doormaakt. In deze tijd vindt het grootste deel van de romanisering, oftewel van de Romeinse invloed, die veranderingen in de samenleving tot stand bracht, in Nederland plaats. Zo legden de Romeinen in Nederland wegen aan, bouwden ze tempels en amfitheaters en oefenden ze invloed uit op grafgebruiken, godsdienst, bestuur en samenleving. Van alle nieuwe dingen die de Romeinen meebrachten naar deze streken waren de thermen het meest typisch voor de Romeinen. Ze vonden lichaamsverzorging, hygiëne en ontspanning erg belangrijk. De introductie van de thermen tot in de uithoeken van het Romeinse rijk werd dan ook als vanzelfsprekend beschouwd.
Over de thermen in Nijmegen is weinig bekend. In 1992 werden er resten gevonden dichtbij de Honig-fabriek aan de Waalbanddijk . Daaruit is gebleken dat de thermen 100 bij 100 meter groot waren. De Nijmeegse thermen waren daarmee de grootste in Nederland.
Over de thermen in Heerlen is gelukkig meer bekend. In 1940 werden zij bij toeval ontdekt door werklieden die grond aan het omploegen waren, om tuingronden te creëren ten bate van de voedselvoorziening. Heerlen (of Coriovallum) was in de Romeinse tijd een burgerlijke nederzetting (vicus), die aan het begin van de jaartelling ontstaan was aan het kruispunt van twee belangrijke wegen, die van Boulogne-sur-mer naar Keulen en die van Xanten naar Trier. Deze wegen werden gebruikt voor de verplaatsing van troepen, maar ook werden ze gebruikt door handelaren en koopmannen. Producten uit Heerlen (vooral afkomstig uit de pottenbakkersindustrie) konden dus makkelijk in de omgeving worden afgezet. Dit zorgde voor de bloei van de nederzetting. Voor een dergelijke nederzetting was het hebben van een badhuis onontbeerlijk.
Het is lastig om de thermen te dateren, zeker aangezien ze op verschillende punten verbouwd zijn. Een indicatie van de datering wordt gegeven door een wij-inscriptie, die gevonden is op 3 mei 1957 aan de zuidzijde van het thermenterrein. Hierop wordt namelijk vermeld dat Marcus Sattonius Iucundus, gemeenteraadslid van Xanten, zijn gelofte vervuld heeft door het badgebouw te restaureren. Ook door andere vondsten is er een band tussen Xanten en de Heerlense thermen. In 1954 was namelijk al een tegel ontdekt in het badhuis met het stempel L XXX VV (legio XXX Ulpia Victrix = het overwinnende dertigste legioen Ulpia). Dit legioen was vanaf ca. 120 na Chr. in Xanten gelegerd. Dit zou een aanwijzing kunnen vormen voor de datering van de thermen. Recenter, in 1977, zijn weer twee stempels van dit legioen tevoorschijn gekomen. Er zijn dus aanwijzingen dat het dertigste legioen op de een of andere manier betrokken is geweest bij de bouw of bij een restauratie van de thermen. Zeker is dit echter niet. De meest waarschijnlijke hypothese blijft echter toch dat de thermen in de tweede eeuw na Chr. gebouwd zijn.
De thermen in Heerlen behoorden tot het zogenaamde rijentype. Dat betekende dat alle vertrekken van de thermen achter elkaar lagen Om in het laatste vertrek te komen moest je eerst alle andere vertrekken doorlopen. Bij het verlaten van de thermen moest dezelfde weg weer terug worden afgelegd. De ingang van de thermen werd gevormd door een zuilengalerij. Via deze zuilengalerij kwam men allereerst in de kleedruimte (apodyterium). Waarschijnlijk werden de kleren daar bewaard in nissen in de muur. Het volgende vertrek was het frigidarium oftewel het koudwaterbad. Aan beide zijden van dit bad bevonden zich twee dompelbaden. De symmetrie van het complex werd enigszins onderbroken door de zweetruimte (sudatorium) die naast het koudwaterbad gelegen was. De zweetruimte is te vergelijken met de hedendaagse sauna, hoewel de temperatuur hier niet die hoogte kon bereiken, als in de hedendaagse sauna’s mogelijk is. De zweetruimte was cirkelvormig. In het midden bevond zich een haard, waarop stenen verwarmd werden, die als straallichamen werkten. Door de koepelvormige constructie van het vertrek werd de warmte van de haard teruggekaatst. De temperatuur was enigszins te regelen door een opening in het dak die naar believen met een klep afgesloten kon worden.
Na het koudwaterbad en de zweetruimte volgden het lauwwaterbad (tepidarium) en de warmwaterbadzaal (caldarium). Het tepidarium deed vooral dienst als rust- en massagevertrek. Na het warmwaterbad volgde de oven, die zorgde voor de verwarming van de ruimtes en van het water. Voor de verwarming van de ruimtes werd gebruik gemaakt van een ingenieus systeem van wand- en vloerverwarming. De vloeren van de ruimtes die verwarmd moesten worden rustten op 0,8 meter hoge pijlertjes, waardoor onder de vloer een holle ruimte ontstond, die in directe verbinding stond met de stookoven. In de stookoven werd hout of houtskool gestookt. De hete rookgassen die hierbij vrijkwamen stroomden door de holle ruimtes en verwarmden zo de vloer. Uiteindelijk werd de hete lucht afgevoerd naar schoorstenen die zich meestal in iedere hoek van een vertrek bevonden. Dit systeem zorgde ervoor dat de kamers die het dichtst bij de oven lagen het warmst werden. Vandaar ook dat het warmwaterbad het dichtst bij de oven gelegen was. De wandverwarming werkte met hetzelfde principe. Met behulp van verwarmingsbuizen werd een ruimte gecreëerd tussen binnen- en buitenmuren, die met de ruimte onder de vloer in verbinding stond. Op deze manier werd warme lucht via deze holte tussen de wanden ‘ geblazen’ en zo de muur verwarmd.
Aan beide kanten van de hoofdvertrekken lagen sportvelden, de zogenaamde palaestrae. Hier werden voor de ontspanning en voor de gezondheid sporten beoefend zoals hardlopen, worstelen, boksen en balspelen. In de westelijke palaestra was een niet-overdekt zwembad gelegen. Een wasgelegenheid, winkeltjes en een restaurantje bevonden zich in de oostelijke palaestra. In de grotere thermen elders in het Romeinse rijk bevonden zich nog veel meer faciliteiten. Zo was de grootste bibliotheek van Rome op een zeker moment gevestigd in de thermen van Diocletianus.
Genoeg mogelijkheden voor vertier dus! Uiteindelijk kwam men echter toch voor het baden. De openings- en sluitingstijden van de baden waren afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden. Waarschijnlijk waren er in de thermen van Heerlen aparte openingstijden voor mannen en vrouwen, aangezien er zich geen aparte mannen- en vrouwenvertrekken bevonden, zoals in thermen elders in het rijk wel het geval was. Gemengd baden was, zeker in de tijd van de Romeinse republiek, niet gebruikelijk. In het begin van de keizertijd kwam het wel voor, maar het werd ook in deze tijd regelmatig verboden door de keizers. Over het algemeen baadden de vrouwen in de ochtend en de mannen in de middag. Nachtelijk baden kwam wel eens voor, maar ook dit was niet gebruikelijk.
De baden waren voor bijna iedereen betaalbaar. Zelfs voor de arme mensen onder de bevolking. Wat de precieze toegangsprijzen voor de thermen waren, weten we niet exact. De dichter Iuvenalis uit de eerste eeuw na Chr. spreekt echter over een toegangsprijs van ¼ as voor mannen en ½ as voor vrouwen. Kinderen hadden gratis entree. Zeker is wel dat vrouwen meer betaalden dan mannen.
In tegenstelling tot de oude Grieken, zwommen de Romeinen niet naakt, maar in primitieve badkleding. De volgorde van het baden voltrok zich vaak van warm naar koud. Men begon in de zweetruimte. Vervolgens ging men door naar het warmwaterbad. Via het lauwwaterbad, kwam men uiteindelijk bij het koudwaterbad, waar men zich kon verfrissen. Het baden had naast de onstpannings- en gezondheidsfunctie ook een sociale functie. Mensen kwamen er om bij te praten en sociale banden aan te halen. Het maakte echt onderdeel uit van het dagelijks leven!
Het baden had echter ook een keerzijde. Er werd regelmatig gestolen in de thermen. De hooggeplaatste burgers namen daarom vaak slaven mee naar de thermen die op hun spullen dienden te letten. Daarnaast was er bij conservatieve personen de vrees voor seksuele losbandigheid in de baden, zeker in tijden dat het gemengd baden was toegestaan. De baden oefenden inderdaad een zekere aantrekkingskracht uit op prostituees, die de badende mannen hun diensten aanboden. Daarnaast verhuurden sommige beheerders van badhuizen hun slavinnen als prostituees.
Desalniettemin werd het baden vaak beschouwd als een nuttige en gezonde vrijetijdsbesteding. Een goede gewoonte, die ook in onze gebieden zijn weerklank vond. De thermen vormden in ieder geval een deel van de vernieuwingen die de Romeinen meenamen naar ons land. Een vernieuwing die deze keer het nuttige met het aangename verenigde!
Bronnen
Es, W.A. van en W.A.M. Hessing ed., Romeinen, Friezen en Franken in het hart van Nederland. Van Traiectum tot Dorestad 50 v.C. – 900 n.C. (Utrecht 1994).
Jamar, J.T.J., Heerlen, de Romeinse thermen (Zutphen 1981).
Yegül, F., Baths and bathing in classical antiquity (New York 1992).
Door: Iris van Meer, oktober 2008