Geschiedenis Suriname
37 jaar geleden tekende de toenmalige minister-president van Nederland Den Uyl samen met de toenmalig gouverneur van Suriname Ferrier en de toenmalig Koningin der Nederlanden Juliana de onafhankelijkheid van Suriname. Het begin van een nieuw hoofdstuk in een eeuwenlange geschiedenis tussen twee werelden, 7500 km van elkaar verwijderd. Een afstand die door inwoners van beide werelden op verschillende momenten met verschillende motieven in wederzijdse richting is overbrugd. In beide werelden zijn hiervan ook de sporen nog terug te vinden.
De eerste die de oversteek waagde, was niemand minder dan Christoffel Columbus. In de geschiedenisboeken wordt vooral zijn eerste reis in westelijke richting vermeld waarbij hij in 1492 Amerika ontdekte. In totaal maakte hij echter vier reizen naar het Caribisch gebied. Op zijn derde reis in 1498 voer hij langs de kust van het huidige Suriname. Een landgenoot van hem, Alonso de Hojeda die ook al op de tweede expeditie van Columbus was meegereisd, zette in 1499 als eerste Europeaan voet aan wal in Suriname. Een monument in het openluchtmuseum van Nieuw-Amsterdam in Suriname herinnert aan deze eerste ontmoeting. Aanvankelijk liet men dit gebied links liggen omdat er geen schatten te vinden waren.
In de tweede helft van de 15e eeuw ontstond het gerucht dat het mythische goudland El Dorado aan de noordkust van Zuid-Amerika zou liggen. Dat gerucht bracht Spaanse, Engelse, Franse en Nederlandse gelukszoekers naar het gebied die tevergeefs op zoek gingen naar de met goudstof bedekte koning. Eén van deze gelukszoekers was de Engelse edelman-avonturier Sir Walter Raleigh. Hij beschreef het land aan de hand van eigen waarneming, maar de meest fantastische verhalen waren uit de tweede hand. Deze verhalen lokten ook anderen waaronder kapitein Jacob Cornelisz die in opdracht van een Nederlandse ondernemer in 1598 een verkenningstocht met zijn schip ‘De Zeeridder’ maakte naar dit gebied. Het goudland heeft hij niet gevonden, maar wel knoopte hij vriendschappelijke betrekkingen aan met de aldaar woonachtige indianen. Twee indianen werden zelfs op vrijwillige basis gecontracteerd als gids en deze bleven ook aan boord tijdens de terugreis van ‘De Zeeridder’ naar Nederland. Daarmee werden zij de eerste Surinamers die naar Nederland kwamen.
Het was geen gemakkelijk gebied om te koloniseren. Tropische ziekten maakten veel slachtoffers onder de West-Europese bezoekers. Het land bracht ook niet de verwachte goudschatten. Wel werd er tabak en suiker verbouwd voor de Europese markt. Vanuit Nederland was het vooral de Zeeuwse kamer die interesse toonde in Guyana. Alleen was de animo onder kolonisten in Nederland niet zo groot om zich daar te vestigen.
Tijdens de Tweede Engelse oorlog (1665 – 1667), de oorlog die, zoals u vast wel weet, eindigde met de tocht naar Chatham, zonden de Staten van Zeeland een vloot uit met de ambitieuze opdracht het Caribische gebied te zuiveren van de Engelsen. De vloot, onder leiding van Abraham Crijnssen, ging voortvarend te werk en veroverde het Engelse fort bij het stadje Paramaribo en herdoopte de naam in ‘Fort Zeelandia’. Parimaribo gaven ze de mooie naam ‘Nieuw Middelburg’, een naam die het niet lang heeft volgehouden. Na het sluiten van de vrede bepaalden beide landen dat ze de veroverde gebieden in bezit mochten houden en zo kwam Suriname in Nederlandse handen. Nieuw Amsterdam (het huidige New York) moesten we daarbij afstaan aan de Engelsen. Dat was niet zo erg, want Nieuw-Amsterdam was toch een moeilijke kolonie met opstandige Indianen die de kolonie bedreigden. Wellicht zou in Suriname toch nog eens goud gevonden worden.

In de eeuwen die volgden kwamen er verschillende groepen naar deze Nieuwe Wereld. Zo waren er in 1667 een groep Joden die zich in Savannah vestigden aan de Surinamerivier. Deze plek heet nu Joden Savanne. Een andere groep waren de Labadisten, een groep christenen die ver van de slechte wereld in gemeenschap van goederen wilden wonen. De wereld tussen de onbekeerde indianen bleek echter ook niet alles te zijn en na enkele tientallen jaren gaven ze de strijd tegen de onophoudelijke aanvallen van de indianen op. Ook sommige Hugenoten die eerst van Frankrijk naar de Nederlanden waren gevlucht zochten een nieuw thuis in Suriname.
Er was ook een groep die er gebracht werd. De slaven uit Afrika werden door de West-Indische Companie verscheept naar kolonies in het Caribisch gebied om te werken op de plantages. Naar schatting brachten de Nederlanders een half miljoen slaven naar Amerika wat 5% bedroeg van de totale trans-Atlantische slavenhandel. Een groot deel van deze slaven ging naar de Nederlandse gebieden in Brazilië en Curaçao werd een belangrijke doorvoermarkt. Naar schatting zijn er naar Suriname, niet alleen door de Nederlanders, ongeveer 200.000 slaven vervoerd. Het leven op een plantage was voor de meeste slaven geen pretje. Het is dan ook niet verwonderlijk dat slaven probeerden te ontsnappen. Deze ontsnapte slaven leefden in dorpen in het oerwoud en werden Marons genoemd. Het leven in de oerwouden was duidelijk ook geen pretje, want een groot deel van de Marons keerde na langere of kortere tijd toch weer terug naar de plantages. Naast de ontberingen van het oerwoud werd hun voortbestaan ook bedreigd door het grote tekort aan vrouwen in deze gemeenschap. Door plantages te overvallen en negerinnen te roven, trachtten zij dit vrouwentekort op te lossen. Deze vrouwen verbleven echter toch liever bij hun familie en vrienden en ze ontsnapten uit de nederzettingen om terug te keren naar de plantages. Toch werden deze Marons langzaam aan een aparte bevolkingsgroep in Suriname tot op de dag van vandaag. Tegenwoordig maken de Marons ongeveer 14% van de totale bevolking uit.
In 1735 arriveerden drie mannen in Suriname. Vanuit Hernhut in het Duitse Saksen waren zij door hun Evangelische Broedergemeente uitgezonden om het zendingsgebied Suriname te verkennen. In de jaren erna trokken meer zendelingen van deze gemeenschap hier naar toe. Het werk werd hun niet gemakkelijk gemaakt. Zending bedrijven onder slaven was verboden omdat de christelijke slaveneigenaars vreesden dat de christelijke boodschap een negatieve invloed zou hebben op de gehoorzaamheid van de slaven. Ook onder de Marons hadden ze aanvankelijk weinig succes. Pas na de afschaffing van de slavernij kregen de Hernhutters meer toegang. Was het ledenaantal van hun gemeenschap in Suriname in het jaar 1830 maar 782, na de afschaffing van de slavernij in 1863 steeg dit aantal tot bijna 30.000.
Na deze afschaffing van de slavernij kwam er al snel een tekort aan arbeiders voor de plantages. Reden om een volgende groep naar Suriname te halen. Ditmaal uit Azië. Chinese contractarbeiders kwamen om het werk te doen en ook in Brits-Indië werden arbeiders geworven. Deze mensen uit Brits-Indië waren Hindoestanen en kwamen met zovelen, dat deze bevolkingsgroep tegenwoordig de grootste groep in Suriname is. Tenslotte kwamen uit Azië ook nog Javanen, die ook hun eigen identiteit behielden en nog steeds als aparte bevolkingsgroep zijn te onderscheiden. U begrijpt dat de term multiculturele samenleving in Suriname een heel andere klank heeft dan in Nederland.
In de jaren die volgden ging de ontwikkeling van Suriname mee met de internationale veranderingen. Terwijl de aandacht in Nederland er voor afnam, emancipeerde Suriname en de Surinamers. Vooral de Tweede Wereldoorlog was in dit opzicht een belangrijke periode. Plotseling kreeg men aandacht voor deze wereld vanwege de Bauxiet die nodig was om de oorlogsindustrie te voeden. Om Amerikaanse belangen in het Caribisch gebied te beschermen, werden er 2000 soldaten gelegerd en de haven van Paramaribo werd een uitvalsbasis voor de Amerikaanse marine in de bestrijding van Duitse onderzeeboten. Al deze activiteiten zorgden voor werkgelegenheid en bevorderde het zelfbewustzijn van de verschillende bevolkingsgroepen in Suriname. Gedurende de naoorlogse periode kreeg Suriname bij de invoering van het Koninkrijksstatuut in 1954 min of meer een zelfbestuur.
De aandacht vanuit Nederland voor deze verre wereld zakte in deze periode naar een minimum en toen Suriname in de jaren ’70 dan ook op weg ging naar de zelfstandigheid, was er in Nederland nauwelijks protest. Anders lag dat in de straten van Paramaribo. Daar werd er meer geprotesteerd tégen dan voor de onafhankelijkheid! Vooral Hindoestaanse en Javaanse Surinamers zagen de onafhankelijkheid niet zitten en trokken toen met tienduizenden naar Nederland. Het zijn groepen die enerzijds de eigen identiteit heeft weten te bewaren en anderzijds goed meekomen in de Nederlandse samenleving.
De aandacht vanuit Nederland voor deze verre wereld zakte in deze periode naar een minimum en toen Suriname in de jaren ’70 dan ook op weg ging naar de zelfstandigheid, was er in Nederland nauwelijks protest. Anders lag dat in de straten van Paramaribo. Daar werd er meer geprotesteerd tégen dan voor de onafhankelijkheid! Vooral Hindoestaanse en Javaanse Surinamers zagen de onafhankelijkheid niet zitten en trokken toen met tienduizenden naar Nederland. Het zijn groepen die enerzijds de eigen identiteit heeft weten te bewaren en anderzijds goed meekomen in de Nederlandse samenleving. Door de burgeroorlog van 1980 en de ongunstige economische omstandigheden van de jaren ’90 emigreerden nog grotere groepen Surinamers naar Nederland. Inmiddels wonen er ruim 330.000 in Nederland tegen 470.000 Surinamers in Suriname. Zoals dè Nederlander niet bestaat, bestaat dè Surinamer nog veel minder. Uit bovenstaande opsomming blijkt al de grote verscheidenheid aan culturen, godsdiensten en talen die Suriname gevormd heeft en nog steeds kenmerkt.


