April in Parijs
Het is een afwijking maar een goedaardige. En gelukkig wordt die door steeds meer mensen gedeeld. Het zoeken naar de plaatsen waar het gebeurde, het lopen langs adressen waar de groten of de minder groten der aarde bivakkeerden. Als het gebeurt in het Gooi, een tocht langs hedendaagse helden als Linda de Mol, Isa Hoes, Wendy van Dijk en Marco Borsato vind ik het buitengewoon ordinair. Maar als ze dood zijn of anderszins hun biezen hebben gepakt nadat ze iets inspirerends gedaan hebben vind ik het enig.
Een jaar of twaalf geleden begon ik in Het Parool met een serie Rue d’ Amsterdam, over Nederlandse kunstenaars en aanpalend volk in Parijs. Parijs omdat ik nou eenmaal dol ben op die stad en kunstenaars omdat rond hen meestal wat opwindender en afwisselender verhalen te vertellen zijn dan over, ik wil niet onaardig zijn, accountmanagers of communicatieadviseurs.
En ik deed dat aan de hand van hun adressen of hun vaste stekjes, cafés dan meestal. Soms was het een complete route. Van Het Gare du Nord naar de Rue Ordener nummer 95 bijvoorbeeld. Waarom? De schrijver M.J. Brusse had een mooi verhaal over Guusje Preitinger. Guusje wilde haar vriend, de beginnend schilder Kees van Dongen, verrassen met haar komst. Het was 1899. ‘s Morgens heel in de vroegte is zij parmantig en kinderlijk onervaren aangekomen aan het Gare du Nord van de slapende wereldstad - heeft zij, argeloos vragende, op haar witte linnen schoentjes de urenlange voetreis volbracht naar Montmartre, omhoog naar de Rue Ordener, - waar zij eerst nog, stropende met 't nagelschaartje uit haar tasje, heimelijk jonge wingerdranken geknipt heeft van een huis met een open tuin, om er haar zomerjurk en haar hoedje mee te garneren, en zo, voorbij de verbluft en nijdig uit haar bed geschelde portierster, heeft zij langs vele trappen en vele deuren er een ontdekt, waar zijn naam op de post stond geschreven.”
Ik loop dat stuk dan ook graag, ondertussen mijmerend over Kees van Dongen. En me afvragend hoe het Brusse lukte een redelijk leesbare zin van meer honderd woorden te produceren. Het is overigens helemaal geen urenlang tocht. En later beek dat verhaal van Brusse ook niet echt te kloppen, maar wat geeft het.
Verrassingen waren er volop. Dat er gedenkstenen aangebracht zijn op de Parijse woningen van Kees van Dongen en Vincent van Gogh verbaast niet. Maar op dat van Conrad Kickert (18882-1965)? Wie kent deze curieuze figuur nog? Als jonge wildebras had hij werk van kubisten onder wie Braque naar Nederland gehaald. Daar schaamde hij zich later voor, toen vond hij Picasso een “giftige slang”. Hij verkocht zijn eigen naakten en landschappen vooral aan de operette-adel die hij ’s avonds bij kaarslicht ontving. En hij werd opgelicht door zo’n namaakbarones. Ook is er een steen voor Johan Jongkind, aan de Boulevard Montparnasse. Bij de coup van Lodewijk Napoleon in 1851 stelde hij zich samen met collega’s met getrokken sabel op voor het Louvre om te voorkomen dat onruststokers er de boel kort en klein zouden slaan. Jongkind heeft bekendheid in Frankrijk, maar de essayist Conrad Busken Huet? Toch is op zijn huis aan de Rue de l’ Université te lezen dat hij hier 'Het land van Rembrandt' schreef. Ik moet toch eens uitzoeken wie daar het initiatief toe genomen heeft. Genoeglijk mopperaar, Busken Huet, met zijn hekel aan Nederland “waar de vogels niet overheen kunnen vliegen zonder te sterven.”
Op donderdag 12 april gaan we weer met een groepje naar Parijs. We richten ons vooral op Montmartre en het Quartier Latin. In de voetsporen van Eddy du Perron, Remco Campert, Jacques Gans, Van Gogh, Otto van Rees en vele anderen. We komen vast langs de Lapin Agile, het nog steeds bestaand cabaret waar de grote vervalser Han van Meegeren nog heeft gezongen, net als de schrijver/spion Ed de Nève. Ja, aan chansons gaan we ook wat doen. Misschien komen we bij het huis van Dave die eigenlijk Wouter Otto Levenbach heet, uit Amsterdam komt en nu in Parijs een groot zanger annex tv-persoonlijkheid is. Hem laten we met rust. We zijn níét ordinair.


